Opgesloten

Een witte ruimte met in het midden een grote machine. Geluiden die ik niet herken. Instructies opvolgend, tot ik in de juiste positie lig. Mijn arm wordt in een soort spalk vastgezet, hand in een bakje dat op schuimplastic lijkt. Ik krijg een deken over mijn benen, oorbeschermers op mijn hoofd en met mijn rechterarm over mijn borst gevouwen, krijg ik een bel in mijn hand. Voor als het niet meer gaat.

Vooral stil blijven liggen.

Met kleine schokjes schuif ik de tunnel in. Ogen gesloten tegen het felle licht. Vreemde geluiden, bonkend dan weer monotoon. Steeds weer opnieuw. In mijn krampachtige poging om niet te bewegen, houd ik bijna onwillekeurig mijn adem in. Doorademen! Ik spreek mezelf streng toe. Het lijkt het alsof mijn duim een eigen leven wil gaan leiden. Niet denken, vooral niet aan denken. Concentreer je op je adem.
Ontspannen is niet mogelijk, ontsnappen ook niet meer. Tijd staat stil. Hoe lang gaat dit nog duren?

Wat begon als een onschuldige verdikking aan de zijkant van mijn elleboog wordt nu een zaak van intern onderzoek.

2020

Valt er nog iets zinnigs over te zeggen? Een jaar dat vol optimisme begon en dat, naarmate het vorderde, alleen maar narigheid over ons uit bleef storten. Alsof de hemel alle mestoverschotten niet meer kwijt kon en dacht, wacht,… ik geef het gewoon terug.

De euforie van mijn laatste Moment 2019 maakte in februari al snel plaats voor iets waar ik in eerste instantie de ernst niet van inzag. Een moment van zicht en spraakverwarring bleek later die dag een mini TIA te zijn geweest en voor ik wist lag ik vast aan apparaten en werd ik om de paar uur gewekt om te zien of ik nog wel bij de tijd was. Het duurde 24 uur voor ik weer naar huis mocht. Een zak vol medicijnen rijker en de illusie, dat ik het eeuwige leven zou hebben, armer.

Tijdens carnaval leek alles weer ‘gewoon’ te zijn, iets minder uitbundig misschien maar ik deed nog mee. En toen, BAM….Covid19. Net nadat alle confetti weer uit het straatbeeld was verdwenen kreeg een onzichtbaar maar dodelijk virus ons in haar greep. Het verloop hoef ik jullie niet te vertellen. We leven nog dagelijks met de gevolgen en die zijn op alle vlakken voelbaar. Ontkenners tegenover de cijfers van zieken en doden die dagelijks door het RIVM bevestigd worden. Het duurt en het duurt…

Alles moest op de schop. De presentatie van mijn gedichten bundel, verjaardagen, geplande uitjes, repetities van het koor, vakanties. Een land in semi lockdown en de onzekerheid van voortbestaan voor ondernemers.
Het enige lichtpuntje was het moment dat we hoorden dat  in 2021 ons eerste kleinkind geboren gaat worden. De gebeurtenissen die hier op volgden lieten die vreugde helaas verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Een paar weken geleden maakte ik een smak die zijn weerga niet kende. Paniek maakte zich ook op dat moment meester, wat als ik iets gebroken had? Hoe moest het hier thuis dan verder? Het bleek gelukkig niet zo, maar het maakte de schrik niet minder.
Mijn lijf laat duidelijk horen dat de jaren van jeugdige overmoed ver achter mij liggen.
Maar het moment dat 2020 voor altijd  het zwartste en zwaarste jaar ooit zal maken is de plotselinge dood van Twan. Het liet onze grondvesten wankelen en de gevolgen zijn tot op de dag van vandaag nog voelbaar. Het gemis is enorm, het verdriet intens. Rauwe pijn laat kleuren vervagen en geeft feestdagen een grauwe laag.

Vanavond nemen we afscheid van 2020. Oudejaarsavond. Er valt niets te vieren. We nemen een deel van 2020 mee en ook al zetten we de schouders eronder, de gevolgen blijven er als een zware last omheen hangen.

Ik wens jullie een luchtiger 2021. Een jaar waarin vreugde weer de boventoon zal mogen voeren en waarin we, dat waar we van houden, weer uitgebreid mogen vasthouden.

Twan

Geweldige man en vader, goede vriend, charisma, levensgenieter, lange wandelingen over historische paden en door het heuvelland, klassieke muziek, reizen, ademinnetjes in de auto, een klontje suiker in de thee, twee in de koffie, gebak op zondag, schuddebuiken van het lachen, kleine sigaartjes na het eten,….

Twan in een paar woorden omschrijven is onbegonnen werk. Twan was een veelzijdige man en een markante verschijning. Bourgondiër in hart en nieren. Familie was alles en hij was dan ook het meeste in zijn element als hij je thuis kon ontvangen met een drankje om je vervolgens een culinaire maaltijd voor te zetten waar menig chef jaloers op zijn. Urenlang tafelen was geen uitzondering, eerder de regel.
Twan gaf al zijn gasten het gevoel echt welkom te zijn.

Hij liet iedereen in zijn waarde  en stond, daar waar mogelijk, ook altijd voor je klaar.  Hij dwong respect af door zijn kennis en de manier waarop hij zijn bedrijf had opgebouwd maar ook door de  onverstoorbare rust die hij uitstraalde. Ik had het geluk dat ik 8 jaar nauw met hem samen mocht werken.
Twan was niet zomaar een baas, Twan was een opperbaas.

Hij was kapitein en stuurman tegelijk. Of dat nu op de zaak was of tijdens de zeilvakanties die hij samen met Adele en de kinderen maakte. In het begin op het IJsselmeer en later in Griekenland met een catamara, zeilend van eiland naar eiland. Hij genoot en had ook altijd al de volgende tocht geboekt nog voor ze op de terugweg waren. Dit jaar echter besloot hij dat het genoeg geweest was. Het werd veel te druk rond de eilanden en er zou vast wel weer iets anders voor in de plaats komen. Het mocht niet zo zijn.

Net nu hij besloten had om het rustiger aan te gaan doen werd hij wreed uit ons midden weggerukt.

Troeës

Wie vöal wöad kan me nog zage
wen d’r zin  d’rneëver jeet,
wen me sjtoksjtief, wie jesjlage
wie an eëd jeneëld sjteet.

Wie kan me nog wermde bringe
wen ’t hats  wie ies zoeë kaod,
woa kan me nog  troeës da vinge
weë wees hei da noen nog road?

Oane leed jieët ’t jee leëve
oane troane  jinne laach,
döks zouw me alles wille jeëve
um tse endere deë inne daag,


Adieë Twan, oane ’t tse wisse hast doe  dieng letste rees jemaat

St Ursula

Tijdens het leeghalen van ons ouderlijk huis kwamen ze boven water. Een paar handwerkjes, waaronder een gebreid onooglijk lapje waarmee blijkbaar het toepassen van verschillende technieken werd geoefend. Een briefje met mijn naam en verder de vermelding dat de lengte goed was, zat aan de bovenkant vastgenaaid. De rest verwaarloosbaar. Een geborduurd stukje stof, zo’n zelfde briefje met mijn naam maar verder niets, commentaar blijkbaar overbodig. Duidelijk iets van mijn hand. Een schriftje met tekeningen, 6+ het hoogst haalbare.

Wat ik voor een leerling was, daar is verder niets meer over terug te vinden. Geen rapportjes, geen toetsresultaten. Als ze al bewaard werden. Misschien haalden ze het einde van de zomer niet eens. Opgeruimd aan het begin van het nieuwe schooljaar. Schone lei.
In mijn herinnering zijn nog flarden uit mijn schooltijd terug te vinden. Het schoolplein met de enorme kastanjeboom. Het gebouwtje waar de toiletten te vinden waren. Onaangename geur en ijskoud in de winter. De grote hoge klassen met de oude houten lessenaartjes die voorzien waren van een inktpot en een ruimte waarin je schriftjes, de kroontjespen en je leesboekjes lagen, opgeborgen achter een klep. De stilte.

Haalde ik goede cijfers? Ik weet het niet meer. Zat ik aan het raam, de buitenwereld aantrekkelijk dichtbij? Was ik leergierig of wist ik toen al dat er meer te leren viel buiten de 4 muren van de strenge katholieke school, waar onderscheid gemaakt werd tussen de dochters van de notabelen en de rest. Een paar foto’s uit die tijd,  lachebek maar soms een wat bedachtzame blik. Dromer,verslinder van boeken en mezelf daar dan in verliezend.

Op weg naar volwassenheid liet ik St. Ursula en de nonnen ver achter mij. Het heeft blijkbaar weinig indruk gemaakt.

 

Va ós

img_9329

De plaatsj woa vier kanne jenisse
va rouw en prechtiege natoer,
doa wil me nog ummer de poats va sjlisse
en verjage van ’t land d’r boer.

Iech han jee jood, jing kapitale,
bin riech jenóg mit wat iech han,
wil evvel nit de rechnoeng betsale
vuur wat noeëts mieë tseruk jedrieënd weëde kan.

Rolduc sjteet nit  óp nommer 1,
Ejeloob is woa ’t hei um jeet.
Wienieë  kómme vier noen endlieg ins bijenee
en sjtoppe vuurjód dis jekheet?

Iech los miech d’r i-jank nit verbeie
noa wat al ieëwieg is van ós.
Iech kan uuch noen al profetseie
dat iech miech nit an zie duie los.

Aaf en tsauw

Joep

Aaf en tsouw kómme wöad in miech óp
en vang iech aa tse sjrieve.
’t Rammelt da in miene kop
den sjrievere die blieve.

Nit ummer kunt jet sjuns op papier
en kuet iech miech ing kleëve.
Dan veul iech miech inge ‘sjtomme bier’
en han iech domme kal jesjreëve.

Zoeë noen en da, da weëd ‘t jet,
broech iech miech nit tse sjame.
Dan vluugt oes mieng heng a nui koeplet
en klinkt ’t jód tsesame.

Iech bin da sjtoots, han werm jet jelierd
evvel dan bin iech nog nit doa.
Pas went d’r Joep ziene zeëje draa jieët
darf ’t op facebook sjtoa.

Marloes

Vrung va vrung

IMG_E7369Daag in daag oes kómme ze aa,
verzukke va manslu die iech jaroets nit ken.
Ze wille jeer miene vrunk zieë,
evvel ze kómme oes anger leng

Hant sjtaatse foto’s in uniform,
zunt dokter, dierekter of jeneraal
nit jetrouwd of widmander,
miech is dat näu ejaal.

Ze zunt nèmlieg nit dat wat me leëst
De foto’s zunt jeklauwd
Ze hant óch wieër nog jajing vrung,
of i joare jet ópjebouwd.

Iech dui reëtsouw óp d’r knoep
en los ze sjtoa an duur.
Die wille nèmlieg alling mie jeld
en doa han iech zelver al ing besjtimmoeng vuur.

 

Verkierde lú

IMG_7228

 

Iech wees nit wat dat is mit lu
die oane aazieë va weë dan óch
wille durchdrieve hönne zin
en aalegke ee jedróch

Ze hant de jemeende in jen tèsj
krient van jinne teëjejaas
ze broeze uvver alles hin
en hoale óp vuur d’r jeweune man de naas

Iech wees nit wat iech mós mit dön
die verwerpe jiddes verweer
die aafbreche wille wat ieëwe aod
en ligke vuur aofeheet kweer

Iech wees wal woa iech zelver sjton
vuur Rolduc lek iech miech kweer
ós erve doa kunt jinne aa
óch jinne jrieze hódde heer


Wie vruier

't hoes

Iech weul zoeë jeer nog ins joa kieke,
in ’t hoes woa iech jeboare bin.
De lu die in die tsiet doa woare,
junt miech noeëts oes d’r zin.

Iech weul zoeë jeer nog ins sjloffe
in t hoes woa iech e sjtumpsje woar.
´t Jeveul va doe han iech urjens verloare
en dat vilt mich aaf en tsouw zoeë sjwoar

Iech weul zoeë jeer nog ins èse
in ’t hoes woa iech mieng kinkheet verloar.
De bilder miech in de zieël  jesjlèfe,
als wuur ’t jister, zoeë kloar

Iech weul zoeë jeer nog ins joa danse
bis mörjens vrug de zon óp koam.
De oge, wie doe, losse sjanse
en de jlazer leëje bis óp d’r boam.

Iech weul zoeë vöal nog ins beleëve
en miech herinnere de sjpas.
De lu va doe nog ing kier knoevele
en miech da haode doa aa vas,

Marloes

Óp miech zelver

Viva

Iech hod miech óp miech zelver, 
da deet miech óch jinne pieng.
En wen iech ins nit loestere wil, 
iech óch va jinne de oere jeweasje krien

Iech hod miech óp miech zelver, 
en han da va jinne las. 
Went angere uvveree valle dunt,
hod iech miech zelver vas. 

Iech hod miech óp miech zelver, |
miene ruk sjtram wie e bret.
Wen um miech hin d’r krig oesbricht, 
maach iech mie éje bed.

Iech hód miech óp miech zelver, 
mie hoes mie paradies.
Mieng hemet doa kunt miech jinne aa, 
Weë dat waagt, deë hat pries.